Vrijmetselarij

/Vrijmetselarij
Vrijmetselarij 2017-10-10T09:14:11+00:00

Vrijmetselarij

De vrijmetselarij is een wereldwijde broederschap, waarin mannen van uiteenlopende achtergrond elkaar ontmoeten en van gedachten wisselen over hun levensvragen en hun levensvisies.
Zij zijn georganiseerd in loges, plaatselijke verenigingen, in Nederland onder de koepel van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden.
De vrijmetselarij is een inwijdingsgenootschap: de bijeenkomsten zijn slechts toegankelijk voor ingewijden. Elk nieuw lid legt bij zijn inwijding een gelofte af, waarin hij onder meer belooft volstrekte vertrouwelijkheid te bewaren over wat er binnen de loge besproken wordt. Daardoor kan elke broeder geheel vrijuit spreken over wat hem na aan het hart ligt.

Historie

Over de oorsprong van de vrijmetselarij bestaan vele boeiende, maar uiterst speculatieve, verhalen. Ondanks degelijk onderzoek is veel nog in nevelen gehuld. Wel bestaan er treffende overeenkomsten met organisaties die sterk tot de verbeelding spreken. Dit heeft geleid tot een rijkdom aan speculatieve geschiedschrijving. Op deze website is gekozen voor dat stuk geschiedenis dat gedocumenteerd aantoonbaar is.

Ontstaan en ontwikkeling

Algemeen wordt aangenomen dat de vrijmetselarij haar wortels heeft in de Engelse en Schotse bouwcorporaties van de late middeleeuwen. De huidige organisatorische vorm ontstond omstreeks 1715 in Engeland. Vanaf die tijd is er meer aan verslaglegging gedaan en is de historische ontwikkeling beter bekend.
De term ‘vrijmetselaar’ is een vertaling van het Engelse ‘freemason’; die verwijst overigens naar de steenhouwer. De herkomst van ‘freemason’ staat niet vast. Het woord zou afkomstig kunnen zijn van ‘freestone’, een hoogwaardige kalksteen die vooral voor het fijne beeldhouwwerk werd gebruikt. Uit de term ‘freestone mason’ zou dan de naam ‘freemason’ zijn ontstaan. Het element ‘free’ in de naam zou ook betrekking kunnen hebben op de ambachtsman die zijn contractuele tijd als leerling had voltooid en daarna ‘vrij’ was om als gezel bij een andere meester te gaan werken; hij was dan ‘free mason’, vrije steenhouwer. Op die verklaring is de oude Nederlandse benaming ‘vrije metselaar’ gebaseerd.

Historie vrijmetselarij in Nederland

Met hulp van vrijmetselaren uit Engeland en Frankrijk werd al in 1734 in Den Haag de eerste Nederlandse loge opgericht. Dat gebeurde in het logement Lion d’Or, het latere House of Lords, dat in 1986 werd afgebroken in verband met de nieuwbouw van de Tweede Kamer. In 1735 volgde de oprichting van een tweede loge, daarna van meer loges, ook in andere steden.
Verdacht van Oranjegezindheid, werden de loges al spoedig door de patriottistische Staten van Holland verboden. Men vond het vreemd en verdacht dat mannen van verschillende politieke signatuur en kerkelijke gezindheid zich in één organisatie verenigden.
Na het herstel van het stadhouderschap, in 1744, herleefde de vrijmetselarij. In 1756 sloten tien loges zich aaneen tot de ‘Groote Loge der Zeven Vereenigde Nederlanden’, welke benaming in 1817 werd gewijzigd in de ook nu nog geldende: Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden.
Twee prinsen uit het huis van Oranje hebben in de negentiende eeuw de functie van grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren bekleed: Prins Frederik (de jongere broer van Koning Willem II, die zelf ook vrijmetselaar was) gedurende 65 jaar, van 1816-1881, en Prins Alexander (de jongste zoon van Koning Willem III) van 1882 tot zijn vroege dood in 1884. Het koloniale tijdperk is van invloed geweest op de verbreiding van de vrijmetselarij vanuit ons land. Nederlanders vestigden zich op de Antillen, in Suriname, op Ceylon, in India, Zuid-Afrika en Rhodesië, het voormalige Nederiands-Indië, China en Brazilië. Zestien loges buiten Nederland, onder andere op de Nederlandse Antillen en in Suriname, behoren nog steeds tot de orde.
In 1940 werd de orde door de Duitse bezetters als een der eerste tot verboden vereniging verklaard. De wereldvermaarde Ordebibliotheek en het kostbare museumbezit werden naar Duitsland afgevoerd. Grootmeester Hermannus van Tongeren werd gearresteerd en kwam op 29 maart 1941 om het leven in het concentratiekamp Sachsenhausen. Kort na het eind van de oorlog werd het grootste deel van bibliotheek en historisch archief in schuren nabij Frankfurt gevonden en teruggebracht.
In 1939 telde de orde ruim 4.100 leden en 67 loges. Na de bezetting van Nederland en het eind van de oorlog in het Verre Oosten, was dit aantal gedaald tot 3.000 leden en 64 loges, deels door natuurlijk verloop, deels doordat een aantal leden in Duitse en Japanse kampen in het toenmalige Nederlands-Indië was omgekomen.
Na 1945 is aanvankelijk het ledental in Nederland, ook door de repatriëring van vrijmetselaren uit Indonesië, sterk toegenomen. Tot 1970 liep de groei van het aantal loges vrijwel gelijk met die van het aantal leden. Na 1970 nam het aantal loges verder toe, terwijl het ledental min of meer constant rond 6.000 bleef. De toename van het aantal loges werd vooral veroorzaakt door de groei van forensenplaatsen, de industrialisering en de verstedelijking buiten de Randstad. In de zuidelijke provincies werd de groei ook bevorderd door de verbeterde verhouding tussen de vrijmetselarij en de Rooms-Katholieke kerk. Een en ander heeft tot gevolg gehad dat in plaatsen als Almere, Velsen, Amstelveen, Castricum, Huizen, ‘s-Hertogenbosch, Tilburg, Oosterhout, Roosendaal en Heerlen loges werden opgericht.

Mede dankzij vele openbaar toegankelijke evenementen maakt het ledental van de Nederlandse loges thans een bescheiden groei door. Onder het motto ‘Ontdek het mysterie van de vrijmetselarij’ werd voor het jubileumjaar 2006 een mediacampagne ontwikkeld om de vrijmetselarij in brede kringen van de maatschappij onder de aandacht te brengen. “Levende traditie is een belofte voor de toekomst”, aldus de grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren in 2007. “In de logerituelen liggen spirituele, ethische en morele waarden besloten, maar ieder moet die er persoonlijk in ontdekken. Daarmee sluiten wij meer dan ooit aan bij een diepe behoefte in de maatschappij. Het individuele verlangen naar diepte, zingeving en mysterie is misschien nog nooit zo krachtig tot uiting gekomen als in deze tijd.”
(bron: www.vrijmetselarij.nl)