Geschiedenis Fraternité

/Geschiedenis Fraternité
Geschiedenis Fraternité2017-10-10T09:23:45+00:00

Ontstaansgeschiedenis Loge Fraternité

Dit is een samenvatting uit een artikel die verscheen in het tijdschrift “Almelose Historische Kring Stad en Ambt”, 5de jaargang nr. 1, september 1996. Bijgewerkt 28 september 2006 door W.H.Kuiper. “Een kleine drie eeuwen geleden ontstonden in Engeland clubs van mannen, die zich vrijmetselaars of maçons noemden. Ongeacht verschillende achtergronden in stand of kerk kwamen zij in besloten kring bijeen met als doel elkaar te helpen betere mensen te worden en daardoor bij te dragen aan het opbouwen van een betere wereld. Als middel hiertoe ontwierpen zij een soort symbolisch spel met als uitgangspunt de tempelbouw van koning Salomo. Ieder mens wordt hierin gezien als een ruwe steen. De ruwe stenen moeten symbolisch worden bewerkt tot kubieke stenen, bruikbaar voor de bouw van de Tempel der Humaniteit.
Voor zover bekend was de eerste Almeloër, die als vrijmetselaar werd ingewijd, Frederik Lodewijk Christiaan graaf van Rechteren Limpurg (1748-1814). Hij was voorzittend meester van de ambulante vrijmetselaarsloge Sint Andries.

“Maconnieke Sociëteit Fraternité”

De eerste maconnieke bijeenkomst in Twente vond plaats in Almelo. Op 14 april 1860 kwamen tien in Twente wonende vrijmetselaars bijeen in het hotel van de weduwe Harwig. Dit hotel, later “de Gouden Leeuw” geheten, lag aan de noordkant van de Doelenstraat op de hoek van de Grotestraat. Deze vrijmetselaars waren allen lid van de in Deventer gevestigde loge “Le Le Préjugé Vaincu”. Gezien de moeizame verbindingen in die tijd was het voor de Twentse maçons niet zo eenvoudig om regelmatig aan de activiteiten in het verre Deventer deel te nemen. Zij besloten hun onderlinge band te versterken door de oprichting van de “Maconnieke Sociëteit Fraternité”. Deze sociëteit werd op 19 mei 1861 geïnstalleerd in een bovenzaal van hotel Harwig. Dit hotel was de eerste jaren hun vaste onderkomen. Men vierde hier in 1865 “met grote opgewektheid” het 50-jarig Grootmeesterschap van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik der Nederlanden, evenals in 1871 het 10-jarig bestaan van hun maconnieke sociëteit. Toch leidde “Fraternité” op den duur een kwakkelend bestaan. Maar – aldus een artikel in het “Maconniek Weekblad” uit 1911 – dan riep de voorzitter, de textielfabrikant Godfried Salomonson (1838-1911) “de broeders weer te zijnen huize bijeen. Hij, de altijd opgewekte en gulle gastheer, wist dan door zijn bezielend woord, de verflauwde moed weer aan te wakkeren en geestdrift te wekken in de verslagen harten.” Maar in 1882 ging de Almelose maconnieke sociëteit ter ziele.

“Almelosche Broederkring”

Rond de eeuwwisseling was het maconnieke leven in Twente geconcentreerd in Enschede, alwaar inmiddels de in 1897 aanvankelijk in Hengelo geïnstalleerde loge “Tubantia” was gevestigd. Deze loge was een afsplitsing van de loge “Karel van Zweden” te Zutphen. De treinverbindingen tussen Almelo en Enschede waren toen nog dusdanig dat de in Almelo wonende leden van “Tubantia” om de laatste trein te halen voortijdig het logegebouw moesten verlaten of anders per rijtuig of per fiets naar Almelo terug moesten reizen. Vandaar dat in februari 1904 de in en om Almelo wonende vrijmetselaars bijeenkwamen ten huize van Gerard Daams, de directeur van de gasfabriek, om te zien welke alternatieven er mogelijk waren. Op 11 april 1907 richtten zij de “Almelosche Broederkring” op. Om de twee weken kwam men bij elkaar thuis om over maconnieke onderwerpen van gedachten te wisselen of gewoon voor de gezelligheid. Zij bekostigden samen een leesmap met maconnieke tijdschriften. Voorzitter was Pieter van Vledder (1856-1944), schoolhoofd te Ambt-Almelo.

Loge “Fraternité nr.99”

Al na enkele jaren besloot men de kring om te zetten in een loge. Vanwege het nog geringe ledental werd het een loge met beperkte bevoegdheid. Dat wil zeggen dat men niet zelfstandig nieuwe leden mocht inwijden. Daarvoor moest men nog terecht bij loge Tubantia in Enschede. De zeven vrijmetselaars, die de Almelose loge startten, waren naast de reeds eerder vermelde heren Daams en Van Vledder verder nog Johannes Antonius van Mill (ambtenaar bij de Hollandse Spoorwegmaatschappij), Mr.Pieter Samuel Gerlings (verbonden aan het kantongerecht), Hendrik Cornelis van Weijdom Claterbos (boekhandelaar), J.W.Wooldrik (onderwijzer) en Gerardus Johannes Logman (machinist bij de gasfabriek. De nieuwe loge kreeg door het hoofdbestuur het nummer 99 toegewezen. Aan de nummers van de loges kan men de volgorde van hun ontstaan aflezen. De plechtige inwijding vond op 20 mei 1911 plaats in de zaal van het restaurant van de weduwe Grimme, later “Bellevue” geheten, en gelegen aan de Bleekweg. Als kleuren van de loge werden op voorstel van de boekhandelaar paars en goud gekozen. Deze keuze werd als volgt verklaard: “Paars is de samensmelting van blauw met rood. Het blauw, de kleur des hemels, herinnert ons, dat de mensch is van Goddelijke oorsprong; (dus aan zijn geestelijke waarde). Rood is de kleur van ons bloed en herinnert aan ons stoffelijke bestaan, aan de plaats, welke wij op aarde innemen, en de plichten, ons door de Opperbouwmeester des Heelals opgelegd. En wanneer dan onze Arbeid wordt verricht onder de gouden stralen van het Eeuwige Licht, dan zal die Arbeid niet tevergeefs zijn. De kleuren spreken dus van de Roeping van den Vrijmetselaar. De bijeenkomsten werden aanvankelijk gehouden in hotel “De Prins” aan de Grotestraat-Nieuwe Einde. In 1918 vertrok men naar Café Lüdeking, indertijd gelegen op de hoek van de Grotestraat en de Wierdensestraat. In 1924 verplaatste de loge haar bijeenkomsten naar hotel “De Gouden Leeuw”. Vanaf 1928 gebruikten de vrijmetselaars het catechisatielokaal achter de in dat jaar gebouwde vrijzinnige kerk aan de Bleekweg. Het ledental van de loge groeide minder snel dan men had verwacht. In de herdenkingsrede bij het 12½-jarig bestaan van de loge op 20 november 1923 door het hoofdbestuurslid Ds. Gerrit Willem Melchers (1869-1952) uitgesproken werd dit opgemerkt. In het verslag van die toespraak staat hierover: “In verband hiermee wees hij op de eigenaardige omstandigheid, dat voor het overgrote deel de Broeders van Fraternité gerecruteerd zijn uit wat men noemt ‘de gaande en komende man’ en niet zoo zeer uit menschen van Almelo’s origine. Ds. Melchers was van 1901 tot 1905 lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal geweest voor de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij; van 1911 tot 1919 was hij hervormd predikant in Almelo. Van deze door hem gesignaleerde samenstelling is in elk geval sinds de Tweede Wereldoorlog weinig meer te merken: Van de huidige leden is een derde deel in Almelo geboren.
Verboden tijdens de bezettingsjaren. Van de aanvang af staan bij de vrijmetselarij vrijheid van denken, een vrije meningsuiting en het zelfstandig zoeken naar waarheid centraal. Het spreekt daarom vanzelf dat in door communisme, fascisme en nationaalsocialisme geteisterde landen de vrijmetselarij werd verboden. Dit gebeurde dus ook tijdens de Duitse bezetting van ons land. De bezettingsautoriteiten hebben bij hun beschikkingen van 3 en 4 september 1940 de bezittingen van de loges in beslag genomen en de loges ontbonden verklaard. Het archief van de Almelose loge was al in de herfst van 1939 naar het Grootsecretariaat van de Orde van Vrijmetselaren in Den Haag overgebracht, omdat men dacht dat het bij een Duitse inval veilig zou zijn ten westen van de IJssel. Het ging in de oorlog verloren. De in Almelo gebleven rituele voorwerpen en het meubilair werden door de politie in beslag genomen. Na de oorlog kreeg de loge van de politie twee boekenkasten en vier tafeltjes terug. Ook al waren de maconnieke activiteiten verboden, toch kwamen vooral in de eerste oorlogsjaren vrijmetselaars in kleine kring in huiskamers bijeen. Soms luisterde men zoals men dat gewend was naar een “bouwstuk” van een van de broeders, soms ook waren het praatavonden zonder een bepaald onderwerp. Drie leden van de loge kwamen door de oorlog om het leven.
Een eigen logegebouw. Na de bevrijding van Almelo op 4 april 1945 konden de bijeenkomsten van de loge worden hervat. Als van ouds kwam men weer bijeen in het catechisatielokaal van de vrijzinnige kerk. De eerste jaren waren door het teruggelopen ledental niet gemakkelijk. Sommigen betwijfelden de mogelijkheid van een zelfstandige voortzetting en dachten aan een combinatie met de loge in Hengelo. Maar de meerderheid koos voor het voortgaan met de eigen loge. Men bouwde zelfs een eigen tempeluitrusting op. Johannes Boessenkool (1902-1985) smeedde menig voorwerp met eigen hand en vervaardigde samen met Derk Jan Weller (1912-1997) een aantal andere benodigde attributen. Op 21 november 1952 werd in aanwezigheid van grootmeester Ir. C.M.R. Davidson “onze nederige, provisorische Tempel” in gebruik genomen. In 1961 werden de bijeenkomsten verlegd naar het inmiddels naast de Bleekwegkerk gebouwde jeugdgebouw. Ook de loge zelf had gezien het toen stijgende ledental behoefte aan een wat grotere ruimte. In 1971 werd dit gebouw door de loge gekocht van de Vereniging van Vrijzinnig-Godsdienstigen. Een ingrijpende verbouwing vond plaats. De loge kreeg hierdoor de beschikking over een vaste tempelruimte, zodat deze niet langer zoals tot dan voor elke inwijding opnieuw moest worden ingericht. Op 5 januari 1973 kwamen de vrijmetselaars voor de eerste maal in hun eigen logegebouw bijeen. De officiële ingebruikneming vond eerst op 20 oktober van dat jaar plaats in aanwezigheid van grootmeester prof. dr. Jan Kok. In 1998 maakte een royale erfenis een grondige renovatie van het logegebouw mogelijk. In de oorlogsjaren was de “constitutiebrief”, een document dat door het landelijke bestuur aan een nieuwe loge wordt uitgereikt, verloren gegaan. In 1972 ontving de loge van het hoofdbestuur een nieuwe constitutiebrief. Daarbij werd alsnog officieel vastgesteld dat Fraternité een loge is met een volledige bevoegdheid. Na de oorlog had men zich ook reeds als zodanig gedragen, daarbij over het hoofd ziende dat bij de oprichting in 1911 was bepaald dat de loge zelfstandig geen inwijdingen mocht verrichten.